Roofkunst tijdens de Tweede Wereldoorlog: Vanessa Matz gaat aquarel La buveuse d'absinthe van Félicien Rops teruggeven

De aquarel, die sinds 1968 deel uitmaakt van de collecties van de Koninklijke Bibliotheek van België, was eigendom van Armand Dorville, wiens collectie in 1942 werd verkocht in het kader van een gedwongen verkoop door de Vichy-autoriteiten. De geschiedenis van dit werk kwam enkele jaren geleden, in 2020, opnieuw naar boven toen de rechthebbenden van Armand Dorville eenverzoek tot teruggave indienden. 

Minister van Wetenschapsbeleid Vanessa Matz: "We zullen het leed dat door het naziregime is veroorzaakt nooit kunnen goedmaken, maar ik ben van mening dat we de morele plicht hebben om  teruggaves te doen. Dit dossier is enkele maanden geleden op mijn bureau beland. Op basis van de analyses die zijn uitgevoerd en de informatie waarover ik beschik, heb ik beslist om over te gaan tot teruggave. "  

De precieze vorm die de teruggave zal aannemen (vergoeding, fysieke teruggave, ...), zal afhangen van de wens van de familie, die gerespecteerd zal worden. In januari is een ontmoeting tussen de minister en de raadslieden van de familie voorzien.   

Studiedag en permanente commissie  

Woensdag organiseren de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, nog op initiatief van minister Matz, een studiedag om een stand van zaken op te maken van wat er in België en de buurlanden gebeurt op het vlak van tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofde kunst.  

De minister wil ook een permanente commissie oprichten die algemene richtlijnen voor federale wetenschappelijke instellingen moet opstellen en advies moet geven over toekomstige restitutieverzoeken met betrekking tot deze periode.  

La buveuse d'absinthe: van Armand Dorville naar de Koninklijke Bibliotheek van België 

La buveuse d'absinthe (Félicien Rops, 1877) was eigendom van Armand Dorville, een joodse advocaat en verzamelaar, die in 1941 overleed. Zijn collectie, bijna 450 werken van onder meer Bonnard, Vuillard, Renoir, Manet, Signac, Caillebotte, Daumier, Degas, Vallotton, Delacroix, Rodin en Carpeau, werd in 1942 in Nice verkocht in het kader van de gedwongen verkopen, opgelegd door de Vichy-autoriteiten.   

De erfgenamen hadden toen geen controle over de transactie en kregen de opbrengst van de verkoop pas na de oorlog, in 1947, terwijl deze middelen de familie hadden kunnen helpen om hun vlucht uit Frankrijk te financieren.   

Verschillende familieleden (de zus van Armand Dorville, Valentine Dorville, zijn twee dochters en twee kleindochters) werden aangegeven, gedeporteerd en in 1944 in Auschwitz vermoord. 

In 1968 werd het werk te goeder trouw aangekocht door de Koninklijke Bibliotheek, waar het zich sindsdien bevindt.